Het eigen leven van Einsteins brein

Herbert Blankesteijn, NRC Handelsblad 25-1-'95


Afgelopen donderdag zond de VARA een BBC-documentaire uit over een licht getikte Japanse professor die in Amerika op zoek was naar de hersenen van Albert Einstein. De film was in Engeland uitgezonden op 1 april, met het gevolg dat iedereen dacht dat het een grap was. Niet alleen het gegeven was dwaas; verschillende scenes waren zo absurd dat geen grappenmaker ze had durven handhaven: te opgelegd. De professor die op blote voeten een standbeeld van Einstein beklimt en streelt. De bezitter van de hersenen, een bejaard patholoog-anatoom, die op de huiskamertafel een stukje brein voor de sympathieke Japanner afsnijdt, en een paar minuten later in een fabriek blijkt te werken als leerling-extrudeur. De Japanse prof die tenslotte in een discotheek in Kansas voor het publiek een Japans liefdesliedje zingt met het potje met zijn buit in de hand.

Het was dus waar. Dit was de zoveelste oprisping in een affaire die ongeveer elke tien jaar enige publiciteit genereert. Zo verscheen er in mei 1985 een verslag van een vergelijkbare speurtocht in het Amerikaanse populair-wetenschappelijke tijdschrift Discover. In 1978 was het de New Jersey Monthly, die met een artikel van de intussen vrij beroemde auteur Steven Levy de Washington Post en Science op een idee bracht. En de eerste die publiceerde over het eigen leven van Einsteins brein was de New York Times op 20 april 1955, twee dagen nadat de geleerde was gestorven: 'Key Clue Sought in Einstein's Brain: Study of Blood Vessels in its Covering May Shed Light on Secret of Genius,' schetterde de krant.

Er zijn geen aanwijzingen dat het Einsteins wens was om zijn hersenen ter beschikking van de wetenschap te stellen. Einstein-onderzoeker John Stachel zei tegenover de verslaggeefster van Discover dat hij niets wist van een dergelijk verlangen. Einsteins executeur-testamentair Otto Nathan stelde op 91-jarige leeftijd dat Einstein géén onderzoek aan zijn hersenen had gewild. Het Einsteins zoon Hans Albert geweest die toestemming heeft gegeven het brein te verwijderen, vermoedelijk op verzoek van Harry Zimmerman. Zimmerman was medicus en een kennis en vereerder van Einstein. Hij wist door lang zeuren van Einstein toestemming te krijgen zijn medische faculteit aan de Yeshiva University in New York 'Albert Einstein College of Medicine' te noemen. Einstein wilde dat eerst niet omdat hij met geneeskunde niets te maken had.

Patholoog-anatoom in Princeton was in 1955 een zekere Thomas Harvey. Hij verrichtte een lijkschouwing, stelde als doodsoorzaak vast een kapotte hartslagader, en nam de hersenen weg. Einstein werd conform zijn laatste wil gecremeerd. Hij wilde niet dat zijn graf een bedevaartsoord zou worden. Bij het voorlezen van het testament, een tiental dagen later, verklaarde Otto Nathan: 'Toestemming werd verleend voor onderzoek van het hersenweefsel...' Daarbij gold het voorbehoud dat 'the strictest privacy' in acht moest worden genomen, zonder enige publiciteit behalve in de wetenschappelijke media. (Dat zou heden ten dage weinig anders zijn dan een contradictie.)

Voor zover er nu nog een reconstructie valt te maken lijkt het erop dat twee of drie personen onenigheid hadden over de manier waarop de hersenen moesten worden behandeld en onderzocht. Eén van hen was Harry Zimmerman. Gevraagd door Discover naar de aard van het meningsverschil ontstak hij in woede en hing op. In de documentaire vertelt Zimmerman de ene leugen na de andere, bijvoorbeeld dat hij niets over de hersenen mocht publiceren, dat patholoog-anatoom Harvey al jaren dood is, en dat er niets meer over is van het brein.

Mogelijk als gevolg van het gekibbel onder de wetenschappers bleef tenslotte Harvey in bezit van Einsteins hersenen. Harvey was in geen enkel opzicht een dergelijke unieke relikwie waard. Hij had geen persoonlijke relatie met Einstein, geen speciale kennis van de hersenen en geen geschikte wetenschappelijke achtergrond. In 1956 verzekerde hij de New York Post dat het onderzoek binnen een jaar zou zijn afgerond. In 1978 zei hij hetzelfde tegen Steven Levy. En in de documentaire vorige week bestond hij het om te mompelen dat je zoiets waardevols vooral zéér zorgvuldig moet onderzoeken. Na alle publiciteit is het vreemdste eigenlijk dat niemand hem het bezit van Einsteins hersenen durft te betwisten. Harvey houdt nu vol dat Hans Albert het materiaal aan hem persoonlijk heeft gegeven, hoewel hij eerder heeft verklaard dat het aan het ziekenhuis van Princeton was afgestaan.

De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat Harvey wel degelijk de nodige monsters aan onderzoekers heeft gegeven. Er wordt mee onderzocht of Einstein werkelijk de grootvader is geweest van zijn kleindochter, en er is mee vastgesteld dat het genie in een bepaald deel van zijn linker hersenhelft 73% meer glia had (een bepaald soort zenuwcellen) dan een gemiddeld persoon. Eigenlijk kun je je moeilijk zinvol onderzoek voorstellen aan zo'n uniek object. Harvey is intussen duidelijk milder geworden. In 1985 weigerde hij de verslaggeefster van Discover nog een blik op zijn trofee, in 1994 schonk hij voor het oog van een cameraploeg een homp aan een tamelijk willekeurige voorbijganger, toevallig een Japanner. Of we die gulheid moeten toejuichen is de vraag.

Beroemde hersens onder de kaasschaaf (feb. '90).


Het materiaal dat hier verkrijgbaar is mag worden gedownload, gelezen en zelfs gekopieerd, maar alleen voor eigen gebruik. Vermenigvuldigen met winstoogmerk is niet toegestaan. Alles is copyright Herbert Blankesteijn, tenzij anders vermeld.